Hij steekt meteen van wal…

‘Ik snap er helemaal niets van en volgens mij ZIJ (de organisatie) ook niet. Ik zie collega’s keihard werken, ziek worden en uitvallen, hoor hoe ze aangeven dat ze ‘het niet meer trekken’.
En deze collega’s ( en ik ook hoor) blijven maar gewoon doorgaan.
Het is druk, er is verzuim en alle processen moéten gewoon doorgaan.
Want JA hé, het werk moet toch gedaan worden.

En omdat ZE (de organisatie) ook willen veranderen en ONS daarin mee willen nemen, komen daar ook nog eens allerlei bijeenkomsten bij waarin ZE met ONS willen ‘ sparren en delen, onze ideeën kenbaar kunnen maken, wat effectiever en efficiënter kan, en noem maar op’.
Maar WE hebben er helemaal geen tijd voor. Als ik bedenk welk werk er allemaal blijft liggen en wat we dus ná zo’n bijeenkomst zelf op moeten pakken, word ik helemaal niet goed.
En als ik dat dan kenbaar maak ‘hoe hadden JULLIE dat gedacht, hoe moeten WE dat doen’ dan hoor ik alleen maar dat ZE ONS verwachten in de bijeenkomsten om mee te denken en om onze ideeën te spuien zodat onze stem meegenomen kan worden. Want ‘dat is wél belangrijk ‘.
En een enkele procesbegeleider zegt dan nog ‘als er iets is mag je het gewoon zeggen hoor’.

En dan volgt een diepe zucht ….. ‘ik weet het ook niet meer. Je mag gerust weten dat ik het werk mee naar huis neem en er ‘s nachts met regelmaat van wakker lig’ .
Hij is gefrustreerd, moedeloos, onmachtig een heel boos.
En hij ziet geen enkel perspectief meer.

Zomaar een gesprek waarin ik merk dat de ander in een strijd verzeild is geraakt. Een strijd met, in dit geval, een organisatie.
Een strijd die, zo lijkt het, ‘kost wat kost’ gewonnen moet worden.

Maar ik zie ook hoe hij eigenlijk een strijd met ‘het zelf’ aan het voeren is.
‘Het gaat niet meer zoals het altijd ging,
er komt steeds minder ruimte voor de dingen die ik belangrijk vind,
ik roep heel hard en ik word niet gehoord,
ik heb vragen en ik krijg geen voldoende antwoord,
ik begrijp het allemaal niet meer,
ik voel me zo alleen staan.
En hoe lastig dat voor hem is en zijn stem niet laat horen.

Hij ervaart onvoldoende een (gevoel van een)  basis van veiligheid en vertrouwen; nodig voor een vertrekpunt om te leren, experimenteren en risico’s te nemen. Dat gemis kan vervolgens gaan leiden tot onvermogen om zich te verbinden met (de doelen van) een organisatie.
Een onveilige omgeving kan leiden tot vermijden en kan zorgen voor een afstandelijke en potentieel conflictueuze opstelling.

Wanneer we ons gesteund, gesterkt en veilig voelen durven we het aan te ontwikkelen en te leren. En durven we ons vragen te (laten)stellen als;
‘hoe ga ik om met veranderingen, hoe ga ik om met teleurstellingen, hoe effectief is dat, hoe is het voor me om me kwetsbaar op te stellen,
mag ik (van mezelf) ervaren hoe lastig het soms is en mag ik dat delen met een ander, wat heb ik nog te leren en wie kan me ondersteunen als ik dat moeilijk vind of als ik struikel, durf ik hulp te vragen en mag ik van mezelf aangeboden hulp aannemen?’

En met zijn vraag om mijn ondersteuning kan ik in dit proces een veilige basis voor hem zijn. En loop ik een stuk met hem mee in zijn eigen onderzoek naar de antwoorden op bovenstaande vragen.
Onderzoekend, oordeelloos, veilig en vertrouwd.

Als CARING (zorgen voor) en DARING (uitdagen) in balans is, komt er ruimte om te springen.